Hoe vertel je dat op een feestje?

Leuk, verjaardag, feestje, nieuwe mensen, nieuwe verhalen, leuke gesprekken, en dan… zo, en wat doe jij op het ogenblik?

Een vraag waar ik steeds meer tegen opzie en die ik liever ontwijk. Niet dat ik ’t niet vertellen wil, maar hoe breng ik onder woorden wat ik doe. En ja, wat doe ik eigenlijk?

Ik pas 2 dagen per week op 2 heerlijke boeddha’s van 1, 5 jaar :-).

En de rest van de week?

De rest van de week, ben ik vooral erg druk bezig met mezelf…

En elke keer als ik dit laatste uitspreek, zou ik er even niet willen zijn. Het klinkt niet goed. Het klopt net zo goed wel als niet wat ik zeg. Het is net zo waar als dat het niet waar is. Ja, ik ben bezig met mezelf, maar…

Soms ontstaat er ineens een plan, en zo ook een paar maanden geleden. Ik zou een stuk van de camino in Spanje gaan lopen. Ik droom ervan om weer een paar maanden onderweg te zijn, maar goed, dat is op dit moment lastig inpassen. Twee weken is wel mogelijk, dus vrije dagen opgenomen, voor de kerstnacht in Leon alvast een stapelbed gereserveerd, routeboekje in huis, alleen de reis nog even boeken.

En dat laatste krijg ik niet voor elkaar… ik krijg niet de reis de ik wil, en ga steeds meer opzien tegen dit deel van mijn trip, dat ook nog eens het meeste geld kost. Na een paar weken heb ik nog steeds de reis niet geboekt. Het lukt me niet. Is het dan wel de bedoeling dat ik ga? Is dit eigenlijk wel wat ik wil? En dan gaan er steeds meer dingen tegenspreken: de korte dagen rond kerst, wat betekent: ‘flink doorlopen’; is het niet een beetje waanzin om ongetraind van de warme kachel thuis ineens in het primitieve en ijzige berggebied van Spanje te gaan lopen waar de slaapplaatsen rond kerst niet op elke hoek van de berg open zullen zijn…Er zal veel ‘moeten’ bij komen kijken… Is dit hoe ik me de camino voorstel, het wandelen in vrijheid, blijheid en maar zien hoever we komen? Humm.

Wat zoek ik dan? Ja, het liefst weer maanden lopen op de bonnefooi, zonder terug te hoeven. Maar loop ik dan niet weer weg van dat ene, dat onbekende wat me in de weg zit om hier en waar ik ook ben gelukkig te zijn?

Ik ben niet gaan lopen, en oh hoe confronterend is dat!!! Een ander zou zichzelf misschien juist tegen komen door te gaan lopen. Ik ontmoet mezelf, of misschien beter ‘mijn donkere zelf’, het helderst als ik ‘thuis blijf’.

Ik besluit een paar dagen in een klooster te gaan zitten. Even geen afleiding, geen internet, telefoon en tv, en misschien nog de grootste stap, ik besluit mijn eetpatroon dat een jaar geleden is ontstaan (van biologisch, vers, geen suiker, tarwe en koemelkproducten) los te laten. Een jaar geleden maakte het grote indruk op me, toen ik mijn eetgewoonte radicaal veranderde, om te ontdekken hoe je eetpatroon verweven is met je persoon. Inmiddels gewend, wilde ik dit ook weer een keer los kunnen laten.

Het is een klooster met 8 broeders. De gasten verblijven in een aparte vleugel en hebben 2 van de 3 maaltijden in stilte. Ik heb een riante kamer, met een prachtig antiek bureau, een mooie oude kast, een bidstoel en nog 2 antieken stoelen en een bed. Jezus aan de muur.

De kerk is 24 uur per dag open en er zijn 5 gebedsdiensten per dag. Uit nieuwsgierigheid besluit ik de eerste 24 uur alles mee te doen. De eerste is om 4.30, de laatste om 20.30. Zo is een dag snel gevuld. Ik moet vooral wennen aan het leven met de klok. Na mijn eerste avond broodmaaltijd komt er een vrolijke broeder van in de 80 vragen hoeveel fanta en hoeveel triple bier hij klaar zal zetten. Er blijkt 1 drankje per dag bij ’t verblijf inbegrepen. Nou ja, ik drink geen bier meer, en fanta al helemaal niet, dus ik pas. Dit geeft nogal verwarring, waarop ik besluit dan maar voor de Triple te gaan. Kan ik altijd nog besluiten om hem wel of niet te drinken.

Met m’n Triple en eigen theekan ga ik tegen 7-en naar mijn kamer. Tja, en wat dan?

Ik heb geen lekker boek meegenomen, want daarvoor ben ik niet hier. Wel heb ik pen en papier meegenomen en oude brieven, agenda’s en notitieblokjes van mijn in ’92 overleden tante Agnes.

Ik ga op de grond naast de verwarming  zitten, kijk de kamer rond, dan naar mijn Triple en ga mijn nagels knippen. Hierna overpeins ik de voors en tegens van het drinken van de Triple, en ga door met mijn teennagels. In een paar minuten heb ik al het achterstallig lichaamsonderhoud gedaan…

Tja, dat wordt nog een lange avond zo.

Dan bedenk ik dat, in ’t kader van het loslaten van oude en nieuwe patronen, ik best die Triple kan opdrinken! Hoef ik daar ook niet meer over na te denken. En wat is die lekker!!! En oh, wat is tie snel op!!! En oh, wat hakt ie erin!!!

Licht in mijn hoofd pak ik de papieren van Agnes erbij en lees me door stukjes van haar leven heen.

Ik vind ’t ontroerend om te ervaren hoe dicht Agnes en ik bij elkaar staan. Ik heb ’t gevoel dat ik ’t stokje van haar heb overgenomen. Het werk waar zij voor leefde, waar ik mee verder mag.

Ja, en wat is dat dan? Dat ‘werk’.

Op de lagere school wist ik al dat ik geen kinderen wilde. Eén van de redenen, weet ik nog, was dat ik vond dat die lijn nu eens moest stoppen, die lijn van grootmoeder, mijn moeder en mij. Wat ‘die lijn’ was, daar kon ik mijn vinger niet op leggen, maar ik had kennelijk ergens last van.

Toen ik kort geleden iemand hoorde over het ‘opschonen van je vrouwenlijn’, kwam deze herinnering weer naar voren, en ik voelde gelijk: dit is voor mij, dit ga ik doen!

In een familieopstelling waarin anderen mijn over-oma Gromi, mijn grootmoeder, mijn moeder en mijzelf representeren, kunnen er dingen opgeruimd worden die op dat moment aan de orde zijn.

Ik draai eerst een dag mee als representant en ben onder de indruk wat deze eenvoudige techniek allemaal te weeg kan brengen en op kan lossen op een vrij luchtige manier. De ochtend van de dag dat mijn lijn aan de beurt is begint er al van alles te borrelen. Ik ben labiel, heel zenuwachtig en begin af en toe spontaan te snotteren. Wat is hier aan de hand? Als mijn lijn opgesteld wordt, wordt er eerst gekeken naar de realaties tussen Gromi, grootmoeder en moeder.  Na een poosje lijkt er iets in de weg te staan. Er is iets wat eerst opgeruimd moet worden, voor we verder kunnen. Het blijkt mijn grootvader te zijn en de slachtoffers die hij gemaakt heeft. Mijn grootvader heeft tijdens de oorlog de kant gekozen van het antisemitisme met alle gevolgen van dien voor zowel de joodse slachtoffers als zijn eigen gezin.

In de opstelling krijgt de representant van mijn grootmoeder de kans om de enorme last, het verdriet en de schaamte bij mijn grootvader terug te leggen. Van een afstand ervaar ik de onbeschrijfelijke impact die grootvader’s keuzes heeft gehad, niet alleen op mijn grootmoeder, maar ook op mijn moeder en Gromi. En dit alles dan ook nog tot een paar jaar terug, als een geheim met je mee te moeten dragen…

Als het mijn beurt is in de opstelling om de band met mijn moeder, grootmoeder en Gromi te herstellen, zit er nog steeds iets in de weg. Als een baksteen blijk ik al het leed op me te hebben genomen. ’t Leed van de slachtoffers van mijn grootvader.

Ik krijg een zware kei in m’n handen waar ik alle last in mag projecteren om vervolgens de kei bij mijn grootvader neer te leggen. Ik ervaar het als een enorm zware klus om het te doen, maar het lukt uiteindelijk en kan de kei vervolgens bij mijn grootvader neerleggen.

De volgende morgen word ik wakker met het gevoel nog iets voor de slachtoffers te willen doen. Een bos bloemen ergens neerleggen. ’t Liefst de dag erna, wanneer ik met vrienden voor een wandeling op de Veluwe heb afgesproken.

In mij rijst een groot protest: Wie gaat er nou met een bos bloemen wandelen? Waarom zou ik nou een bos bloemen op de Veluwe gaan neerleggen? Laat het toch rusten! Het is nu toch goed zo? Je kan toch ook gewoon thuis een kaarsje voor ze branden?

Ik weet dat het protest komt vanuit schaamte, vanuit onzekerheid. Gelukkig is mijn innerlijke stem om ’t wel te doen net iets sterker.

En zo stap ik de volgende dag met een grote bos bloemen op de Veluwe uit mijn autootje.

Mijn wandelgenoten vinden het helemaal niet raar, en willen me er graag in steunen.

Als we ons op een plek verwonderen over de vele vogels, besluit ik daar de bloemen neer te leggen. Met z’n 4en staan we erbij als ik de dingen zeg die in me opkomen. Als ik klaar ben begint ’t te motregenen. Ik voel dat er ergens iets tot rust gekomen is, en voel me gesteund door mijn getuigen.

Mijn vrouwenlijn is nog niet opgeschoond, maar ik weet dat ik er zelf mee verder kan.

Als ik een week later in het klooster zit en de schrijfsels van Agnes, de zus van mijn moeder, doorlees, realiseer ik me dat mijn vrouwenlijn veel breder uitwaaiert.

Ik blijf de volgende dagen naar de gebedsdiensten gaan. De kerk zelf is een fijne plek om mezelf te kunnen focussen. De gebedsdiensten geven me houvast in de dag, en de gereciteerde en gezongen gebeden geven mij bedding voor mijn eigen werk. Ik realiseer me dat het werk van de broeders lijkt op wat ik doe, alleen in heel andere vorm.

In die kloosterdagen breid ik mijn vrouwenlijn uit met de 3 zussen van mijn moeder, zodat ik de laatste dag voor allemaal een kaarsje kan branden, 7 in totaal. Ik ervaar op dat moment de enorme kracht van deze vrouwen die zo intens met elkaar en met mij verbonden zijn.

Twee dagen in de week pas ik op 2 heerlijke boeddha dreumesen, en de rest van de week… ja, hoe vertel je dat op een feestje?